Stil

Stilte. Geluidloos. Niet het gefluit van vogels, of het verre zoemen van de auto’s op de snelweg. Niet het geratel van een passerende trein, of de voetstappen van een wandelaar, noch het blaffen van een hond. Zelfs niet de flauwste zucht van de wind doorheen de bladeren van naburige bomen. Absolute stilte. Lijken mijn oren daarvan te fluiten? Oorverdovend stil is het.

Advertenties

Naar de prullenbak?

Ik was jong. Net al tiener geworden, maar toch nog geen adolescent. Een kind, nog. In die tijd schreef ik al stukken tekst. Korte kinderverhalen. De inspiratie kwam uit een brochure van Lego – mijn favoriete speelgoed. Want met die plaatjes – teveel om ze allemaal te krijgen of te kopen – speelde ik in gedachten toch.
Een nieuw thema. Met geavanceerde duikboten. Een onderzeese basis. Het zag er allemaal blits uit. Toch heb ik nooit een van die bouwdozen gekocht. Ze maakten daarentegen wel een zaadje ontkiemen. Een nieuw verhaal. Een wereld waarin niemand meer op de aardoppervlakte woonde. Waarin de zon levensgevaarlijk was geworden. Had ik in die tijd al eens over dat gat in de ozonlaag gehoord? Vast wel, al herinner ik me dat niet meer.
Het hoofdpersonage van toen leefde ook al in zalen en tunnels diep in de grond. Zijn doel was anders; hij moest die onderwaterwereld bereiken. Een doel dat hij slechts nipt zou halen. Want na dat moment staakte ik het schrijven.
Groeide ik op? Niet echt. Ik stelde wat ik deed in vraag. Ik kwam in een periode waarin ik al die verzinsels die ik neer schreef als onnozel en naïef bestempelde. Ik had daarin enigszins gelijk. Als jong kind waren mijn teksten niet erg kwalitatief. Toen begreep ik niet dat ik enkel verder moest opgroeien; om meer inzicht en ervaring op te doen, om mezelf en mijn smaken te verfijnen.
Weet u zeker dat u dit bestand naar de prullenbak wilt verplaatsen?
Toen dacht ik van wel. Pas later heb ik daar spijt over gehad. Alle verloren kinderverhaaltjes. Een deel van mijn jeugdherinneringen. Weg. Verdwenen. Verworden tot vage restanten achter in mijn hoofd.
En toch is een idee blijven sluimeren. Niet meer die wereld onder water. Wel nog de vlucht ondergronds. De onscherpe heugenis over een trektocht doorheen een donkere tunnel, wanneer daar plots een trein opdook. Er was geen materiaal meer. Er waren geen oude geschriften om op terug te vallen, om van te leren hoe iets ook alweer zat. Ik moest dat oude verhaal helemaal opnieuw proberen. Want het bleef allemaal kriebelen in de ondergrond.

Ondergrond

1

‘Toen de mensen nog op aarde leefden.’
Hij keek rond. Hij bevond zich in een kantoorgebouw. Tenminste, dat zou hij geweten hebben als hij wist waar hij was. In de ruimte achter hem was een balie met drie mensen. Zij bedienden mensen in een kleine wachtrij. Een ander stel mensen zat in de wachtruimte met comfortabele zetels, rechts van hem. Links waren de liften. Af en toe stapte iemand een lift binnen, om te verdwijnen naar wie weet welke regionen in het gebouw. Slechts heel af en toe kwam iemand naar buiten. Meestal om iemand in de zetels op te halen. Zij stapten dan naar een lokaal achterin. Hij wist het niet, maar alles duidde op een normale werkdag.
‘Indien u naar buiten gaat, vertel ik u meer hoe het daar was.’
Hij bekeek de persoon die hem opnieuw aansprak. Ze was net zo gekleed als de bedienden achter de balie, in een soort donkerblauw uniform met een rode halsband. Best knap. Ze was blond, natuurlijk. Haar lokken vielen soepel langs haar hals achter haar rug, zodat hij niet precies kon zien hoe lang ze waren. Ze glimlachte, terwijl haar staalgrijze ogen hem geduldig aankeken. Vriendelijk.
De buitenwand van het gebouw bestond vrijwel geheel uit glas. Daar was een krioelende drukte te zien. Mensen liepen door elkaar, zodat het heel moeilijk was ze allemaal te onderscheiden. Veelal was hij hun gezichten vergeten zodra ze uit het beeld verdwenen. Geen van hen bezat opvallende uiterlijkheden. Allen waren gekleed in donkere tinten. Geen van hen leek belangrijk. Door alle passanten was verder niet veel meer te zien. Heel af en toe een trein die voorbij gleed. Verder enkel nog de nabije gebouwen, tevens met glazen wanden, aan de overkant van de straat.
‘Wilt u naar buiten?’
Een groen lichtje knipperde, op een klein metalen plaatje aan de deuren. Hij moest niet gaan, in feite. Hij kon gelijk waar lopen. Maar wat maakte het uit? Hij knikte. Haar voetstappen weerklonken met de zijne, toen hij naar de glazen deur stapte. Die opende automatisch.
In tegenstelling van wat men kon verwachten van zulk een drukke straat, lieten de heen en weer lopende mensen een kleine ruimte om het duo heen. Ondanks alle drukte botste niemand tegen hem of zijn gezel op. Ook wanneer niemand hen leek op te merken. Iedereen boog gewoon langszij.
Wat opviel was dat iedereen witte maskers droegen. De lucht rook erg zwaar en onaangenaam. Alsof er te weinig zuurstof was. Er heerste ook een hels lawaai. In de ruimte tussen de voetpaden en tramsporen stonden voertuigen, in rijen van drie per richting. Ze gingen amper vooruit, maar ze namen wel een groot deel van de plaats in. Hun motoren ronkten slechts zachtjes, maar dit geluid werd versterkt doordat ze met vele waren. Binnenin zag hij plaats voor vier of meer personen, maar behalve de plaats van de bestuurder bleef elk zitje leeg. De personen daarbinnen keken erg verveeld. Omdat de voetgangers veel sneller waren? Waarom deden zij dan niet hetzelfde?
Hij keek omhoog. Alles leek uit glas te bestaan. De wanden rezen naar ongekende hoogtes. Doordat zij bovendien het fletse hemelsblauw reflecteerden, werd het onmogelijk om hun hoogtes in te schatten. En niet alleen het gebouw voor en achter hem waren zo. De hele straat bezat zulke merkwaardige architecturale hoogstandjes. Hun ontwerpers hadden hun creativiteit laten botvieren. In gebogen vormen, koepels, terrassen, balkons, bruggen, spiralen, trappen, kubussen, bollen, piramides, en allerlei meer vormen. Dat alles zo ver zijn zicht reikte. Het duizelde hem om dat allemaal te zien, terwijl hij langzaam verder liep, doorheen de drukte.
‘Dit zijn wolkenkrabbers,’ vertelde zijn gezel. ‘Op het hoogtepunt van de beschaving had de mens steden gebouwd voor tientallen miljoenen. Hierin leefden zij, want daarbuiten was het leven nagenoeg onmogelijk geworden. Tegelijk had de mens andere leefvlaktes ingedeeld; zoals deze voor het telen van voedsel, veelal op drijvende eilanden in zee, of zelfs van algen en wieren in de diepzee. Andere gebieden, zoals de verbrandde zones in wat gekend was als Afrika of de Gobi, werd gebruikt voor de recyclage van materialen. Het is in deze gebieden dat de eerste ondergrondse faciliteiten werden gecreëerd, voor de werknemers die daar verbleven. Deze zouden later als voorbeeld dienen voor de eerste ondergrondse hallen.
Ook in de steden zelf werd het klimaat geregeld, na de onvermijdelijke veranderingen tijdens wat de eenentwintigste en tweeëntwintigste eeuw genoemd werd. Gebouwen vingen regenwater op, ontrokken zonne- en warmte-energie, en weerkaatsten het felle zonlicht, om de verdere opwarming van de aarde tegen te gaan. U ziet de verschillende hangtuinen – de groene zones van de stad. Deze zuiverden de stadslucht enigszins, samen met de parken die her en der verspreid waren. Sommige mensen gebruikten hun eigen groenzone voor het kweken van eigen voedsel. Want weet u, deze gebouwen waren ontworpen om in te leven en te werken. Als u wilt neem ik u mee naar een appartement. Dat wat we nu een eenheid noemen. Ik kan u tonen hoe de mensen leefden.’
‘Later,’ antwoordde hij, licht verward.
‘Zoals u wilt. Wat wilt u meer horen?’
Hij had dergelijke zaken al eerder gehoord. Het hoorde allemaal bij de opvoeding van de huidige maatschappij. Toch overdonderde dit zicht hem weer. Hij voelde zich als een kind dat voor het eerst in de grote stad kwam. Hier was alles zo anders.
‘Waar is de zon?’
Dát was het fenomeen wat hem nog het meest mysterieus aandeed. Hij zag de felle glans die achter de gebouwen scheen.
De vrouw glimlachte hem toe.
‘In die tijd ontwierp de mens hun steden zo, dat de zon weinig op de begane grond scheen. Mensen werden zo beter beschermd. De zon was, sinds het leven op de aarde zich ontwikkelde, altijd een bondgenoot geweest. In die laatste eeuwen werd ze echter vooral een vijand. De vervuiling uit het verleden had de atmosfeer – de luchtlagen boven het aardoppervlak – te ernstig aangetast. De mix van broeikasgassen, de kap van de grote wouden, de chemische vervuiling en de stijging van de temperatuur versterkten de onleefbaarheid onder direct zonlicht. Wolken bestonden nauwelijks uit waterdamp. Droogte en verwoestijning sloegen toe. Dit proces bleek niet te stoppen.
Te veel direct zonlicht maakte de mens ziek. Ondanks alle vooruitgang op gebied van geneeskunde bleek dit probleem, de nieuwe kankers, onoplosbaar, met name door de lange tijd waarin de schade zich had kunnen ontwikkelen, over verschillende generaties heen. De kankers waren van een andere soort dan wat de mens eerder had overwonnen. Bovendien werd door de instabiliteit van de atmosfeer de stralingsgraad van ultraviolet licht te hoog, en dat tastte de menselijke cellen hardnekkig aan. De fouten in de genetische codes werden te talrijk, binnenin elk specimen, en dus onherstelbaar. Ook dit bleek niet te vermijden.’
‘Wat gebeurde er toen?’
De omgeving veranderde langzaamaan. Hij merkte dat er minder mensen in de straten rondliepen. De gebouwen werden grauwer, donkerder. De ramen blonken niet meer; zij weerkaatsten niks meer. Er was afval op de straten.
‘De mens dacht dat hij in controle was, maar dat bleek helemaal niet zo; hij leefde in een luchtbel. De voorloper van de problemen begon met het afschaffen van de verzorgende sociale voorzieningen. Hoewel vroeger vangnetten bestonden wanneer een persoon zijn inkomen verloor, bleek dit in wat men de tweeëntwintigste eeuw noemde, niet langer betaalbaar. Hierdoor werden de laagste klassen van mensen in de steek gelaten. Niemand had kunnen voorspellen welk cascade-effect dit kon teweegbrengen.
De welvaartskloof groeide. De rijken bleven rijk, maar de groep armen breidde zich uit. Zij konden geen verzorging betalen, en stierven veel sneller. Toen de bevolkingsaantallen daalden – na eeuwen van snelle groei – zette deze trend zich voort in de marktvraag.’
Nu liep niemand meer op straat. Wel liepen er honden rond, die in de hopen afval woelden, op zoek naar iets eetbaars. Doordat soms scherp gepiep weerklonk, wist hij dat ze ratten vonden. De straten waren bovendien bezaaid met gebroken glas. De wanden van alle gebouwen vertoonden gaten. Sommige van de hogere verdiepingen waren ingestort. Een aantal straten verder zag hij zelfs een volledig gebouw ingezakt. Het zonlicht belichte dat gedeelte zeer fel, als wilde zij de klemtoon leggen op deze vergankelijkheid.
‘Toen meer mensen uit de middenklassen hun jobs verloren, groeide de armenklassen exponentieel. Tegelijk verminderde de consumptie nog meer, wat net datgene was waarop de gehele economie gebaseerd werd. Dit tastte uiteindelijk zelfs de hoogste klassen aan. Het overgrote deel van de bestaande jobs bleken nutteloos.
Tegelijk bleek niemand kennis te hebben voor de taken die echt nodig waren. De systemen die stuk gingen, konden niet meer hersteld worden. De technische bagage was verloren, of werd angstvallig bewaakt, slechts om tegen enorme sommen geld vrij te geven. Geld bestond echter slechts nog in naam. Het was slechts een verzameling van cijfers op computerservers, die een voor een crashten. Geld verdween, eenvoudigweg.
Toen stilaan ook alles wat automatisch verliep blokkeerde, stortte de economie helemaal in. Alles stopte. Zodoende werd gewoon zuiver water zeldzaam; een onbetaalbaar luxeproduct. Er heerste chaos, hongersnood, ziekte, terreur, en massale sterfte. De wereldbevolking zakte toen van twaalf miljard tot slechts twee miljard in drie decennia. Dit moet op het einde van de tweeëntwintigste eeuw gebeurd zijn, of in de loop van de drieëntwintigste. De bronnen zijn hierover niet duidelijk, toen de administratie stopte.’
Hij huiverde. Niet alleen door de uitleg van de vrouw, maar ook door alles wat hij rondom zich heen zag. Een wereld in puin, onder een brandende zon. De hongerige beesten leken geen aandacht aan hem te schenken, maar hij voelde zich allerminst veilig.
‘Hoe kon de mens dit alles te boven komen?’
De vrouw wees de weg. Ze leidde hem ergens naar binnen. Een oud gebouw, met barsten in de muren en gebroken tegels, met loshangende elektriciteitsdraden en gevallen plafondpanelen. Ze nam een andere deur, met een trap naar onderliggende kelders. Vandaar bracht ze hem naar een ruwe tunnel, dieper de aarde zelf in. Ze vertelde verder.
‘Niet iedereen bleef bij de pakken zitten. Op verschillende plekken in de wereld verzamelden ingenieurs en wetenschappers. Zij groeven zich in, aanvankelijk in bestaande kelders. Want de grootse gebouwen werden onbetrouwbaar, wegens de uitval van systemen. De temperatuur was te krachtig geworden om in te leven. Er was te weinig zuurstof, maar wel te veel stof of andere gassen in de lucht. Deze wetenschappers verzamelden de oude technologie, en probeerden hieruit een systeem te bouwen dat de mens – nu in sterk verminderde aantallen, en verdeeld in geïsoleerde groepen, vermoedelijk overal ter wereld – kon onderhouden. Toen zij alle levenden om zich heen verzamelden, groeven zij zich nog dieper in. Zo ontstonden de eerste hallen, of de steden zoals wij ze nu kennen.’
Het tweetal bereikte een hal. Of tenminste, iets wat herkenbaar was voor de jongeman. Deze plek zag er kaal en ruw uit. Er was weinig verlichting. Luchtkokers met ventilatoren ronkten. Draden en buizen liepen overal heen. De huizen waren zeer rudimentair: slechts deuropeningen naar ondergrondse ruimtes. Er was nauwelijks kleur. Het geheel oogde zeer ongezellig. Maar hier zag hij weer mensen. Niet meer de drukte van eerder. Geen enkel vrolijk gezicht. De meeste van hen deden niets dan zitten of liggen. Slechts weinigen hadden een gezonde kleur.
‘Het leven was zeer hard voor deze overlevers. Zij hadden beperkte middelen en kennis, beperkte ruimte om te bewegen, en nog steeds werd de mensheid aangetast door wat men de zonneziekte is gaan noemen. De middelen om dat te genezen was onbereikbaar. Nog steeds verhongerden velen. Het was allerminst eenvoudig een nieuwe manier voor voedselvoorziening te ontwikkelen.
Er was geen contact met de buitenwereld mogelijk, en daarom is het onmogelijk te bepalen tot hoeveel de wereldbevolking uiteindelijk zakte. De mensen ploeterden voort, maar uiteindelijk kwamen deze kleine gemeenschappen er weer bovenop. Zij groeven zich dieper in, om de hallen te creëren zoals we ze nu kennen. Met de oude kennis van geografie groeven zij tunnels, en zo ontstonden de verbindingen tussen de verschillende hallen. Dit zou uiteindelijk uitgroeien tot het netwerk dat we vandaag nog kennen.
We weten weinig over de andere continenten. De oceanen zijn te diep om te proberen tunnels te boren naar mogelijke menselijke overlevers buiten ons eigen Eurazikanetwerk. Omdat het aardoppervlak onbewoonbaar is voor de mens, zijn wij ook niet in staat communicatiemethodes uit te bouwen. We verwachten wel dat…’
‘Pauze,’ zei hij.
De vrouw zweeg meteen. Ze glimlachte, vouwde haar handen in elkaar, en wachtte geduldig, terwijl ze hem aankeek.
De jongeman had een ander signaal binnen. Hij opende het. Een nieuwe figuur verscheen, als uit het niets. Ondanks zijn roomwitte haren was deze kerel van ongeveer zijn leeftijd. Zijn lichtgrijze ogen gaven hem een bijna oplichtend uiterlijk, iets wat door zijn grotere gestalte en zijn neiging tot zwarte kleding nog versterkt werd.
‘Hey Johan!’ begroette de stem aan de andere kant van de lijn hem. ‘Alles goed?’
‘Hey Maarten! Hier oké. Met jou?’
‘Goed, goed. Zeg, ik ben naar Dolers Hof. Zin om mee te gaan?’
Johan moest daar niet over nadenken. ‘Ik kom meteen af,’ was zijn antwoord. Want waarom zou hij nog meer horen over een lang vervlogen geschiedenis? Uiteindelijk was hij maar per toeval op die documentaire gestoten. ‘Wanneer? Nu meteen?’ vroeg hij.
‘Ik bel Bart en David nog op,’ antwoordde Maarten. ‘Dan kom ik meteen af!’
‘Jo! Tot straks!’
Het signaal brak af. Maarten belde vast de volgende in rang op.
Johan grijnsde. Zijn makker belde in feite op het perfecte moment. Hijzelf had geen beter idee gehad dan een verloren avond op het Net. In feite was het alweer een tijdje geleden sinds zijn vorige bezoek aan Dolers Hof. Dat was ooit hun stamcafé geweest, toen zij allen nog op school zaten. Hij en zijn vriendenkring, die nog nagenoeg dezelfde bleef sinds die tijd. Hij grinnikte. Alsof hij al vele jaren geleden zijn school beëindigd had.
De dame wachtte nog steeds. Ze bleef glimlachen, ondanks het feit dat ze de hele tijd al genegeerd werd. Zij was slechts artificiële intelligentie. Een grote hoop pixels dat enkel deed wat haar gevraagd werd.
‘Stop.’
De dame bevroor. Net als de rest van het beeld. Alles doofde uit. Het programma stopte. Zijn persoonlijke hoofdpagina verscheen. Met alle meldingen, waaronder die van Sara: op naar Dolers Hof. Johan nam de visor af. Hij was thuis.

Veranderen

Ik kan de wereld niet veranderen.
Ik verander mijn wereld. Een wereld die kneedbaar is. Waar ik bepaal wat er is. Zoals het pad dat vanuit ons huis ontspringt. Een strook van witte kiezels, die lopen langs velden van lavendel, of andere bloemen en kruiden, alle drukbezocht door bijen en hommels in de zomer. Een huisje, een boerderij, een heuse stad met muren er omheen. De klokken in het belfort luiden. Mensen komen op straat. Ze kijken omhoog, alsof de antwoorden daar in dat klokgelui worden geschreven. Wat is er aan de hand?
Een gebeurtenis. Van daaruit komen de gevolgen; ten goede, maar ook ten kwade. Als een kiezelsteen die steeds grotere cirkels heeft veroorzaakt in het gladde wateroppervlak van het vijvertje. Een held komt op. In welke situaties hij verzeild raakt, het kan blijven verbazen. Een speelbal in de handen van zijn lot, verbonden aan de touwtjes van zijn poppenspeler. Zal hij zijn doelen halen? Dat zullen we zien, al is het slechts pas aan het einde.
Want ook deze wereld heeft zijn regels. De held mag niet alles kunnen. Ook hij moet sommige zaken ondergaan, met meevallers en tegenslagen. De wereld moet echter onvoorspelbaar blijven. Zelfs in mijn wereld kan ik niet alles veranderen. Toch?

Winters

’s Avonds. Nog vroeg, maar het is reeds donker. IJzige kilte. Goed ingepakt, met muts en sjaal. Bijna thuis. Hij stapt over het smalle pad, langs de bomen aan zijn linkerkant, en het grasplein rechts; enigszins beschut.
Het begint. Aanvankelijk is het nauwelijks merkbaar; de ragfijne stofjes, als stuifmeel, die al snel uitgroeien tot echte vlokken. Het sneeuwt. Voor een moment staat hij stil. Hij kijkt naar boven. Duizenden vlekjes dwarrelen tegen een duistere achtergrond naar hem toe. Een prachtige, chaotische dans in de hemel. Hij zucht. Het is bar koud. Hij moet verder.
De straat is in zicht. Zijn huis, zichtbaar tussen de vlokken dankzij de straatlamp. De voordeur is nabij. Hij vist de sleutel op, ontsluit de deur, en treedt naar binnen. Een begroeting. Vrouwlief. De kat komt kijken. Kaarslicht. Een warme maaltijd. Een blik op een inktzwart raam, waar de sneeuwvlokken steeds heviger blijven dwalen. Het witte tapijt weeft zichzelf. Gezellige rust, samen praten, in de zetel, met een warme drank.

Perceptie

Hij ziet dingen. Ze zweven, links, boven mijn hoofd, of soms meer naar rechts, of dwalen naar beneden. Zijn ogen zijn daarop gefixeerd. Ze volgen die dingen, die voortdurend in beweging blijken. Zijn neus gaat in de lucht. Welke geuren pikt hij ervan op? Ook zijn oren zijn gespitst, verdacht op elk geluid. Ogen, neus, oren, een zesde zintuig; ze vangen meer op dan waartoe ik in staat ben.
Wat gaat daar? Is het een aura? Een wolk van energie die in onze atmosfeer kolkt, onzichtbaar voor de meesten van ons? Opende zich daar een poort naar een andere dimensie, waar de normale fysische regels niet meer opgaan, en waar heel andere natuurwetten zich laten gelden? Pikt hij een plooi op van de zwaartekrachtgolven, zodat hij een blik krijgt op een ander tijdcontinuüm met andere mogelijkheden en andere uitkomsten? Of gaat het slechts om het spel van stof en pluis, immer in beweging gezet door onze eigen verplaatsingen?
Hij volgt waarheen mijn perceptie schromelijk tekort schiet. Onze kat, hij ziet dingen.

Verhaal in ontwikkeling

 

Verborgen

In de diepte, ver verborgen, onder rots en massa’s steen, slechts bereikbaar langs een nauwe, grillige spleet. Bijna niets dan stilte, en haar ademhaling. Zij rust. Zij slaapt, maar toch, elk minuscuul geluid kan haar wekken. Het zachte tikken van een kiezel, losgekomen door een gure windvlaag, verderop. Beschermend, blijft zij waakzaam.
Beschermend. Want hij is daar bij haar. Ook hij is in slaap, maar veel dieper dan zijn moeder. Hij is nog heel jong. Hij is nog te zwak. Kwetsbaar. Af en toe roert hij zich in zijn slaap. Dan opent zij een oog. Liefdevol. Hij groeit en doet krachten op.
Iets ritselt. Opnieuw opent zij een oog. Daar verderop, daar kruipt iets. Voedsel! Zij wacht, bewegingloos, geduldig, met ingehouden adem. Muisstil. Het beest komt dichterbij, onbewust van elk gevaar. Het snuffelt. Het richt het kleine lijfje op. Wat ruikt het? Een besef, de geur van angst ontspringt.
Haar klauw schiet uit. Razendsnel. Ontsnappen is onmogelijk. Het enige dat vrij komt is de korte, schrille kreet van haar prooi. Ze wekt haar kind. Het merkt dadelijk de nieuwe geur op. Ook hij slaat zijn klauwtjes uit. Hij valt aan. Voedsel! Hij smikkelt. Eens zal hij klaar zijn, en dan trekt hij er op uit. Pas dan zal de wereld hem zien en ervaren.

Duivels

Ik sta op het dak van het appartementsgebouw, kijkend naar de zon, die zijn weg zocht naar de randen van de stadshorizon, en verder. Westwaarts sluimert de oceaan langzaamaan in; er is slechts één grote tanker te zien, de plezierbootjes keren braaf richting de haven. Dat staat in schril contrast met de straten beneden mij; daar blijft de drukte van de auto’s razen, in een stad die nooit zal slapen. Nog geen sterren, en toch twinkelen enkele verre lichten hoog boven mijn hoofd. Het zijn de vliegtuigen op koers naar hun verre bestemmingen.
Een geweerschot. Iets vliegt rakelings langs mijn hoofd. Ik keer me om, naar de oorsprong van de knal. Ik kan mijn ogen nauwelijks geloven. Een man, met zwarte jas en strakke zwarte broek, zijn ogen verborgen achter een zonnebril, staat op een vreemd, zwevend toestel, een eind van mij af, voorbij de rand van het dak, op een duizelingwekkende hoogte boven de straat. Met beide handen houdt hij het vuurwapen vast. Hij legt opnieuw aan. Een volgend schot.
Ik duik neer. Hij mist me, al had dat onmogelijk moeten zijn. De man op het toestel zweeft naar me toe. Hij heeft duidelijk de bedoeling op mij in te rammen. Net op tijd spring ik naar links. Een windvlaag vertelt me hoe nipt mijn ontsnapping is. Maar ik krijg weinig tijd. De man in het zwart keert zijn zweeftoestel, om zich opnieuw op mij te storten. Hij lijkt het geweer in zijn handen vergeten.
Zeer weinig tijd om te reageren. Toch slaag ik er in om opnieuw weg te duiken, en terwijl ik mijn lichaam draai, om zijn arm te grijpen. Ik trek, en met behulp van diens eigen vaart, kan ik hem van het vreemde vliegende object trekken. Hij gaat neer. Ik duik meteen achter het geweer, dat over de grond buitelt. Zodra dat in mijn handen is, houd ik hem onder schot. Ik wacht totdat hij is opgestaan.
‘Wie ben jij? Waarom wil je me dood?’
Hij kijkt me strak aan. Hij zegt geen woord. Enkel een vage glimlach op zijn lippen. Een arrogante glimlach, met slechts een mondhoek opgetrokken. Alsof hij zich geen enkele zorg maakt over wie zijn wapen in handen heeft.
‘Wie ben jij?’ vraag ik opnieuw, kwaad.
‘Ik ben de duivel.’
Hij spreekt traag, om elk woord te laten bezinken. En toch weet ik niet hoe te reageren op zijn verklaring. De duivel? Dat gelooft toch geen mens? Die kerel wil zijn naam verborgen houden.
Zijn glimlach wordt breder, al is het slechts met een duimbreed. Alsof hij mijn gedachten kan lezen.
‘Echt, ik ben de duivel,’ verklaart hij opnieuw. ‘Volg mij, dan kan ik het tonen.’
Ik beweeg niet. Hij wacht slechts even af.
‘Ik zal jou tonen dat ik de duivel ben. Ik zal jou de weg naar de hel tonen.’
Hij keert zich om, richting de deur naar de gangen in het appartementsgebouw. Hij lijkt totaal onaangedaan door het op hem gerichte wapen. Zelfs nadat hij de deur opent. Langzaam draait hij zich naar me om, afwachtend of ik zal volgen.
Ik ben nieuwsgierig. Wat zal die vreemde kerel proberen? Is het een truc om me alsnog te overvallen? Ik benader hem voorzichtig, maar laat niet toe dat we dichter dan een meter bij elkaar zijn. Slechts die flauwe grijns, vernederend beledigend. Hij gaat voor, de gang in. Langzaam dalen we enkele verdiepingen lager. De lange corridors zijn saai, met eenvoudige verlichting en eenvoudige deuren naar elk appartement. Waar leidt hij me toch heen? Wacht me een val?
Hij staat stil aan het andere eind van de gang, aan het laatste appartement. Hij draait zich naar me om. Hij kijkt me recht in de ogen. Om mijn gedachten te raden?
‘Hier is het. Achter deze deur zul je de hel vinden.’
Ik bekijk hem vol ongeloof. Hij werpt me slechts zijn onveranderlijke grijns terug, terwijl hij een sleutel uit zijn jaszak opdiept. Hij steekt de sleutel in het slot. Hij opent de deur.
Meteen vliegt de warmte me in het gezicht. Mijn mond valt open. Want achter die deur is geen appartement. Er is een van het vuur ziedende vallei, begrenst door grillige rotsen. Alles lijkt te branden; de armzalige bosjes, enkele donkere poelen, de verwrongen wezens die zichzelf over de grond slepen. De vlammen likken gretig naar buiten; naar de frisse zuurstof in de gang, naar mij toe. Ik wijk terug. Ik bots bijna tegen de man in het zwart. Hij kijkt slechts onbezorgd naar binnen. Alsof hij van het uitzicht geniet.
‘Mijn excuses,’ verontschuldigt hij zich plots. ‘Ik heb me van deur vergist!’
Met een simpel gebaar slaagt hij de deur dicht. De weinige vlammen die aan de furie hadden kunnen ontsnappen, doven meteen. Zonder enig spoor op het deurkozijn na te laten. Niets was geaffecteerd door het vuur. Onmogelijk!
‘Kom,’ wenkte de vreemdeling me, naar het appartement daarnaast, welke hij eerder had genegeerd.
‘Hierachter vind je echt de hel.’
Hij opent het, met dezelfde sleutel, tergend langzaam.
Wat ik zie, had ik nooit kunnen verwachten. Ik zie de kamer van mijn zus. De kamer zoals die was toen wij jonge kinderen waren. Het bed staat op exact dezelfde plaats, links tegen de muur. Net als de ladekast – met drie lades. Dit kan niet! Deze kamer bestaat slechts in het huis van mijn ouders! Deze kan niet hier zijn!
Ik bekijk de duivel opnieuw. Ik weet het nu. Hij is hem echt. Hij bekijkt mij, met zijn strenge ogen. Hij lacht, maniakaal.
Ik loop weg. Zo hard als ik kan. Ik moet van hem weg vluchten! Zijn lachen achtervolgt me. Ik draai de hoek om, naar de trappenhal. Hij staat plots voor mij.
‘Aan mij kan je niet ontsnappen.’
Ik keer me opnieuw om, weg van hem. Als ik maar iemand kan vinden, dan kan ik veilig zijn. Ik ben alleen. Alleen met zijn duivels gelach.